Home Columns "09 - "10 19 Buitenleven
19 Buitenleven Print E-mail
Written by Ton Wilhelm   
Friday, 02 April 2010 13:23

Gelukkig kunnen we langzamerhand weer meer en meer het buitenleven oppakken. En wij zeker niet alleen. Rij door Franse dorpjes en je ziet nauwelijks iemand. Uitgestorven lijkt het dikwijls. Dat schijn bedriegt blijkt vervolgens wel op de weekmarkten. Datzelfde uitgestorven lijkende dorp is ineens vol leven en uit de wijde omgeving stroomt men toe. Begint het voorjaar aan te breken dan nemen die markten in omvang toe en ook de aantallen bezoekers. In de haven zie je vooral in het weekeinde weer steeds meer wandelaars die ons komen bekijken. (Ongegeneerd bekijken wij hen. Apenkooi dus.)  Buiten de stad wordt zo gauw het maar even kan buiten gegeten en overal zijn voorjaarswandelingen te maken.
Ook hier in de stad is nu de weekmarkt iets dat tot de levendigste momenten van de week kan worden gerekend. Ook hier heeft die markt langzamerhand weer zijn maximale omvang bereikt en vertoeft men er graag. Kopen of flaneren, dat maakt niet uit.
Zeker in een provinciestad als Roanne is het

bezoeken van de markt niet zelden ook het ontmoeten van bekenden. Marktkooplieden kennen je na jaren wel en er komt altijd wel iemand voorbij waarmee je bekend bent. Los daarvan heeft de markt ook qua aanbod een geheel ander karakter dan we van uit Nederland kennen. Kleine boerenbedrijfjes bieden dikwijls hun producten rechtstreeks op de markt te koop aan. Een boerin met alleen wat eieren en kip; het mannetje met zijn knoflookstalletje; een tafel met wat de groentetuin deze week opbracht, het is er allemaal te vinden. Met de Nederlandse regelzucht na zo veel jaren in het bloed zijn wij geneigd het met verbazing te bekijken. Inderdaad, veel van wat je hier op de markt ziet zou in Nederland onmogelijk zijn. Wettelijke en gemeentelijke verordeningen zouden dit al onmogelijk maken. Warenwet zou vervolgens nog meer verbieden vanwege de manier waarop het wordt aangeboden. Kleine boertjes met een tuin krijgen al helemaal geen kans. Logisch, want ook de marktkoopman in Nederland moet aan zoveel eisen voldoen dat alleen dat het al ingewikkeld maakt. Dan krijgen de marktkooplieden nog te maken met jaarlijks toenemende stijging van de pacht van de marktplek door hebberige gemeenten en ziedaar, bij elkaar is het voor kleine aanbieders onmogelijk geworden om hiertussen met een paar producten een plekje te vinden. Jammer, want zo ontgaat ons veel.
Het boertje dat er wekelijks staat met misschien honderd eieren levert een product dat wel kakelvers is. De kippen hebben er nog vrij spel en dat proef je ook aan de kip of de paar bouten die je er koopt. Kom je na elven dan is er dikke kans dat alles al schoon op is. En zo gaat het met diverse producten. Vers, daar draait het om.
Het aanbod aan mooie en rijpe kaassoorten staat verleidelijk uitgestald en voor een flink deel buiten een koelvitrine. Natuurlijk, anders komen sommige kazen niet echt tot hun recht. Een inspecteur van de Nederlandse warenwet zou er echter een hartverzakking van krijgen. Hetzelfde geldt voor de vaste stal met kruiden en olijven.
“Waarom zou je olijven niet zo uit mogen stallen? Anders kan men toch niet proeven wat men wil kopen?”
Wel, omdat sinds enkele jaren een Europese wet dat verbiedt.
Ah, daar hebben we een belangrijk verschil te pakken. Natuurlijk heeft men ook hier wel van die wetten kennis genomen. “Men is niet achterlijk!”
“Maar zegt u nu zelf, zo’n wet kun je toch niet serieus nemen? Dat tast ons direct aan in onze levenswijze.”
Daar zijn verkopers, kopers en marktcontroleurs het over eens. De wet wordt dus de wet gelaten. Ons leven gaat voor.
En daar hebben de ijverige ambtenaren in Brussel geen rekening mee gehouden. Die zien Europa graag als eenheidsworst. Het zijn ook allemaal grote stad bewoners.  Allemaal aan dezelfde regels. Veel gemakkelijker. Maar de markt bezoeken in de provincie, keuren wat je koopt en het vertrouwde mannetje opzoeken dat sommigen al van af hun kind zijn kennen. Je weet af van elkaars familie en er wordt geïnformeerd naar de gezondheid van deze en gene. Dat is meer dan de verhouding koopman – klant. Je praat eens met elkaar over wat je nodig hebt en desnoods wordt afgeraden om een bepaald product deze week te kopen.
“Volgende week is het beter, kom dan maar terug.”
Daar is sprake van een cultuur. In die omgang met elkaar is men er ook niet op gericht om elkaar het vel over de neus te trekken.
In het ontluikende voorjaar past het langzamerhand ook weer om na het keuren en kopen op de markt nog even je pastis tot je te nemen. Je constateert dat het leven in ieder geval vandaag weer goed is en men gaat tevreden naar huis voor een goede maaltijd met de zojuist verworven producten.
Ça va? Oui, ça va bien.


TON WILHELM